Horizon Blog Nieuws Over het recht op belediging
Over het recht op belediging

Op 4 november 2011 ontdekte ik wat een taboe is: iets zo heilig en onaanraakbaar dat je al wordt gestraft als je er naar durft te wijzen! Na de aanslag met brandbommen op het Parijse kantoor van Charlie Hebdo, de satirische krant die grappen over Mohammed had afgedrukt, stuurde ik een ingezonden stuk naar de Volkskrant met als strekking dat je maar beter voorzichtig kunt omgaan met kwesties waarvan je weet dat ze explosief zijn. In sommige culturen, beweerde ik, wordt ‘heilig huisje’ nog met hoofdletters geschreven en wordt niet relativerend gedacht over beledigingen van het verhevene. De Volkskrant promoveerde mijn inzending ongevraagd tot ‘Brief van de dag’ en zette nogal hetzerig, in opvallende oranje letters, boven het logo op de voorpagina: “Joost Pollmann: pak de beleidsmakers aan, laat de heiligen met rust”. Meteen daarop manifesteerde zich een taboe dat gebroederlijk naast dat van de aniconische omgang met de Profeet staat, en dus een enorme paradox in zich draagt: het taboe op nuancering van de vrijheid van meningsuiting. De radio meldde zich (NCRV op 1), de televisie (PowNed), het internet (GeenStijl, dat mij nog op de ochtend van publicatie in de Volkskrant de Zelfcensuur Award toekende). Daarop volgden woedende reacties op FrontaalNaakt.nl, bespottingen van Leon Verdonschot in Nieuwe Revu, een scheldende Theodor Holman in Het Parool en een kleinerende Nausicaa Marbe in de Volkskrant, agressie van onbekende mensen via Facebook en nota bene in mijn eigen mailbox. De Wereld Draait Door, Moraalridders en De Waan van de Dag hingen aan de telefoon om mij voor de camera te krijgen (wat ik weigerde omdat ik allang merkte dat er geen zinnig gesprek meer mogelijk was) en een journalist van het Haarlems Dagblad stond ’s avonds aan mijn voordeur waar ik hem niet te woord wilde staan. “Publicist Joost Pollmann kiest even voor de luwte” schreef hij toen maar in zijn krant.

De teneur in de meeste reacties op mijn kennelijk zeer naïeve oproep tot terughoudendheid was dat wij, in het verlichte westen, het recht hebben om wie dan ook ongelimiteerd te beledigen. Omdat ik vraagtekens durfde te zetten bij dat recht, werd ik zelf grootscheeps beledigd. In een radio-uitzending van Oba Live op maandag 7 november brulde Theodor Holman dat de Volkskrant mij moest ontslaan; deze heraut van het vrije woord wilde mij het woord ontnemen! Men moest mij omwille van de vrijheid van meningsuiting verbieden een mening te hebben die onwelgevallig blijkt en daarmee als lakmoesproef dient voor diezelfde vrijheid van meningsuiting. Dat zegt veel over de interpretatie van ons grondwettelijk vastgelegde recht om te mogen zeggen wat je ergens van vindt.

Het ironische van de Mohammed-affaires is dat de ene karikatuur de andere baart. In het Westen tekent iemand een provocerende grap over de Profeet en in het Oosten ontploft een orthodoxe moslim. Vervolgens wordt die overspannen reactie exemplarisch genoemd voor het gedrag van de voltallige islamitische bevolking van honderden miljoenen mensen. In deze mallemolen houden de clichés elkaar in stand, maar je kunt ook uit die mallemolen stappen. Plantu is beroemd als cartoonist van dagblad Le Monde en richtte in 2006 de organisatie ‘Cartooning for peace’ op die ressorteert onder het Regionaal Informatiecentrum van de Verenigde Naties (UNRIC) en is ingezegend door toenmalig secretaris-generaal Koffi Annan. Tijdens een tweedaagse conferentie in New York gaf hij aan dat er spanning staat op de relatie tussen “the freedom of expression and respect for the beliefs of others”. Beluister hem op een Youtube-filmpje* onder de titel ‘Draw the line’, waarin bekende tekenaars uitspraken doen die dicht in de buurt van mijn gewraakte stelling komen. Plantu constateert dat het door de opkomst van politieke correctheid steeds moeilijker wordt om bepaalde dingen te tekenen, en het gaat daarbij niet altijd om de Islam. “De zwarte wordt steeds witter,” zegt hij bijvoorbeeld, om aan te geven dat het in beeld brengen van gekleurde medemensen al snel leidt tot ongewenste stereotypering. In Nederland woedt sinds kort een discussie over het gebruik van het woord ‘neger’. De tekenaar moet daarom, concludeert Plantu, gevoelig zijn (“sensitive”) wanneer hij zijn ongenoegens uit op papier, al kan dat leiden tot saaie kranten - wat ook weer niet de bedoeling is. Michel Kichka uit Israel merkt op: “Images have power and it’s too easy to go too far.” Hij verwijst daarmee naar de opwinding om de Deense cartoons, maar ook naar de Iraanse cartoon-wedstrijd waarin de Holocaust werd ontkend. De tekenaars die aan ‘Cartooning for peace’ deelnemen, zegt Afsane Bassir-Pour, de Palestijnse directeur van UNRIC, “willen grappig zijn, niet cynisch. En ze willen laten zien dat ze verantwoordelijke journalisten zijn.“ Plantu voegt er aan toe dat hij wil tekenen wat op aarde is en niet wat in de hemel is: pak de beleidsmakers aan, niet de heiligen. Vervolgens tekent hij een portret van de Profeet dat is opgebouwd uit steeds dezelfde zin: “Ik moet Mohammed niet tekenen.”

Het is te gemakkelijk om te ver te gaan, zegt Kichka, cartoonist van dagblad Haaretz. Beledigen kan iedereen. Helaas wordt daar in ons land anders over gedacht: men mag (en moet) elkaar te allen tijde voor rotte vis of erger uitmaken** en wie oproept tot terughoudendheid en verantwoordelijkheidsbesef is een idioot. Normaalgesproken is het in het maatschappelijk verkeer zo dat je andermans gevoelens respecteert. Heeft iemand een slechte adem of een lelijke jurk, dan reageer je discreet en laat je je afkeer niet openlijk blijken. Doe je dat wel, dan beschadig je je relatie met de bewuste persoon. Je hebt beslist het recht om je mening te uiten, maar je houdt die mening voor je om toestanden te voorkomen. In het verkeer op de weg - de openbare ruimte - verandert deze situatie. Automobilisten zijn mensen die zich onophoudelijk ergeren en gore taal uitslaan om hun frustratie over het gedrag van medeweggebruikers te luchten, maar ze zitten veilig in een blikken cabine, hun gevloek is onverstaanbaar en men is elkaar weer snel voorbij. De vocale beledigingen zijn afstandelijk en blijven zonder gevolgen, tot ze gepaard gaan met een opgestoken middelvinger. Dan wordt het onhoorbare woord een zichtbaar teken en dat teken is natuurlijk beledigend bedoeld. Wraak! Getoeter! Blikschade!

In de interculturele ruimte, die werelddelen kan scheiden maar ook twee naburige appartementen in de Pijp, speelt het teken een gevaarlijke rol. Want waar taalbarrières een gedachtenwisseling met genuanceerde zinswendingen en een rijke woordenschat in de weg staan, wordt al snel gekozen voor het hanteren van een versimpeling die in weinig subtiele termen de boodschap moet overbrengen. Symbooltaal, gebarentaal. De fatale kopstoot van voetballer Zinedine Zidane tijdens de WK-finale van 2006 volgde op een belediging door de Italiaan Marco Materazzi die de zus van de Tunesiër een hoer noemde. Dat was een intercultureel misverstand tussen overburen aan de Middellandse Zee, want wat in het ene land ‘alleen maar’ grof is, is in het andere land ontoelaatbaar grievend en het verschil tussen die twee opvattingen lijkt non-negotiable. Niet te relativeren of te nuanceren. Wie had beter moeten weten: Materazzi of Zidane? Wanneer een tekenende journalist, een editorial cartoonist zoals ze in Amerika zeggen, kiest voor de rol van Materazzi, moet hij zich realiseren dat hij een grens oversteekt en een Zidane kan tegenkomen. Dat is een hele verantwoordelijkheid.


Joost Pollmann 

*www.un-eu.org/cartooning-for-peace.html

**‘Een stuk uitgekotst halalvlees, gemaakt van Turks varken’:  PVV’er Cor Bosman over zijn Turkse collega Selçuk Öztürk

 

 

 

Plaats reactie

Beveiligingscode
Vernieuwen